Bevreemdende, absurde schoonheid

Edwin Fagel

Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Dorien

Als we gedwongen worden Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin, de tweede dichtbundel van Edwin Fagel, te klasseren in een van bovenstaande, zeer relatieve categorieën, kiezen we voor die laatste. In vijf reeksen bestaande uit onderling wisselend samenhangende gedichten schetst hij een aantal bevreemdende taferelen, soms verhalend, soms schijnbaar lukraak. Het is niet steeds duidelijk wie zijn personages zijn. De ene keer lijkt Fagel zelf aan het woord, de andere keer een Godachtige observator, nog een andere keer een serveerster die hij eerder, in een ander gedicht, tegen het lijf liep.

Een terugkerende factor is wel dat iedereen zoekend is. In In het station aangekomen vraagt de verteller zich af "Wie is mijn vader? Wie is mijn moeder? Waar is mijn huis? Waar is mijn lichaam?". Kortom: wie is hij of zij? En wie zijn we zelf?

Absurd, luguber en herkenbaar

Rake observaties en heldere beschrijvingen creëren een sfeer die niet eenduidig te plaatsen valt: soms realistisch en herkenbaar ("Hij was vergeten/ zijn horloge om te doen en bleef zich die dag/bewust van de naaktheid van zijn pols"), soms grenzend aan het lugubere ("oh god oh god oh god, bloed gutste uit haar vagina") en het absurde ("Een reiger stond die ochtend bij zonsopgang/ voor de deur. Hij kwam naar buiten, ik herkende hem/aan zijn bril.").

Edwin Fagels Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin laat zich niet makkelijk in een vakje plaatsen. Niet dat dit nodig is. Zo is immers ook het leven: bevreemdend, soms absurd maar met schoonheid in vreemde hoekjes.