Street art en commerce: de ovenwant van Haring

Keith Haring en Banksy: visies op straatkunst

Brecht Vissers

Er gaat geen dag voorbij zonder dat er een nieuw stukje street art de wereld lijkt te veroveren. Drie dagen geleden vond men een Keith Haring, eergisteren drie Banksy’s en morgen staat Brussel weer in rep en roer over een blote piemel tegen een van zijn anders zo inspiratieloze gevels.

Tips over het wassen van ovenwanten welkom bij de redactie

Ik heb een ovenwant met een tekening van Keith Haring erop. Verder heb ik nooit stilgestaan bij die koffiemokken, T-shirts, balpennen én die ovenwant waarop zijn werk vereeuwigd is. Haring begon als street artist in New York. En hij werd er als eerste groot in. Zijn mensachtige figuren werden al snel iconisch. Hij stelde tentoon in ‘s werelds grootste musea en zijn werk was te vinden op muren rond heel de wereld. Zo ontblootte men onlangs weer een muurtekening in Amsterdam, dertig jaar bedolven onder buitenwereld en tijd. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat een straatkunstenaar zijn werk als iets permanents beschouwt. Had die tekening bedolven moeten blijven? Misschien wel. Zo’n soort werk hoort te vergaan met de ideologie waartegen het vecht: die van grootkapitaal en die van een cultuurelite. Maar wat doet een iconoclast als zijn eigen werk iconisch wordt? Street art vandaliseert en vernielt, om het dan beter te maken. Maar wie kiest er wanneer street art mag vernield worden?

Tweestrijd

De commercialisering van street art lijkt op het eerste gezicht een tweestrijd te bevatten, als je nagaat hoe politiek activistisch Haring was en is. In de muurtekeningen besprak hij corruptie, drugsmisbruik, homoseksualiteit en AIDS, de ziekte waaraan hij zelf stierf. Hij maakte murals in woonbuurten, waar de kinderen - aangetrokken door de kleurrijke poppetjes - de dansende poses in zijn werk nabootsten. Exact wat een onderontwikkelde buurt kan gebruiken. En exact wat de kunstenaar wilde. Die muur met de tekening? Sloop die en bouw er een naschoolse kinderopvang, hoor je Keith Haring bijna denken. Dat gaat meestal niet samen met merchandising en big bucks. Want dan verkoop je de ziel van je werk, en dan vooral als het een muurtekening is. Toch?

Zelfs vandaag voelt het vies aan als ik “Banksy” en “tentoonstelling” in één zin hoor. Want meestal volgt er dan: “tickets nu te koop”, en daar kan een Banksy alleen maar tegen zijn. Want die hoort thuis op de straat. Waar iedereen het kan zien. Waar mensen erover praten, niet de museumbezoekers, galeristen en opkopers. Het hoort te vergaan, samen met de ideeën waartegen het vecht.


Gevulde Haring Uit De Oven

En tegen dat idee van commercialisering van kunst/street art vecht Banksy ook. Die tentoonstellingen worden natuurlijk opgezet door verzamelaars van zijn werk, mensen die dus ooit een Banksy kochten. Zelfs een street artist mag zijn brood verdienen maar nog steeds tegen het tentoonstellen van zijn werk zijn.

En Haring? Die startte zelf zijn merchandising op. Nochtans dacht hij hetzelfde als Banksy. Dat mensen die zijn kunst kopen nodig zijn. Anders kan hij geen kunst meer maken. En met die merchandising maakte hij zijn werk net méér bereikbaar voor de man in de straat. Een koffiemok met tekening van Haring kost 6 euro. Een toegangsticket tot een museum kost er 12. En mijn ovenwant? Die serveert mij een dagelijkse herinnering dat de boodschap van Haring wél nog relevant kan zijn. Zonder dat ik naar een museum moet gaan. En die serveert mij diepvriespizza’s.