Column | Hulpeloosheid voor gevorderden

De beschermengel en de ambtenaar

Maxime

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs, begint lichtjes te paniekeren bij de gedachte aan telefoneren en ze krijgt met moeite een Capri Sun open. Maxime is 22 en moet volwassen worden, maar heeft geen idee hoe.

De beschermengel en de ambtenaar

Ik heb Jos, mijn engelbewaarder, buiten gebonjourd. Zijn taak was om mij te beschermen tegen de gevaren en irritaties van het leven. Omdat ik op een vrijdagochtend plots een ambtenaar moet trotseren, durf ik te stellen dat hij grandioos heeft gefaald.

Ik verkeer in de ijdele hoop dat ik binnen de vijf minuten wel opnieuw buiten zal staan, want hoe moeilijk kan het zijn om een nieuwe identiteitskaart op te halen? Nu schat ik de verhouding tussen mijn dromen en de realiteit wel vaker net iets te rooskleurig in. Vooral wanneer die realiteit bemand wordt door ambtenaren die net koffiepauze willen nemen.

Bij het betreden van het walhalla van ingebrande koffievlekken, stoffige dossierkasten, niet-geïnventariseerde typemachines en streng nagetelde nietjes, moeten engelbewaarder Jos en ik eerst passeren langs het onthaal. Mijn blik glijdt van het kauwgom vermalende kind achter haar computer naar de bordjes die de loketten aanwijzen. Om te eindigen bij de loketten tweeënhalve passen verderop.

Mijn horloge wijst 9:57 aan. Drie minuutjes voor de wettelijk vastgelegde koffiepauze. Dat zou moeten volstaan om ergens uit een lade mijn nieuwe identiteitskaart boven te halen. Jos draait vaak met zijn ogen om mijn naïviteit.

Achter het loket zitten vier mensen aandachtig naar een computerscherm te turen. De bureaucratische zuilen van de samenleving zullen het nog niet meteen begeven.

Een vijfde specimen loopt wat verdwaald rond. Ik probeer oogcontact met hem te maken, maar ik ben eraan voor de moeite. ’s Mans levenloze ogen schreeuwen "grossieren in lijden sinds de BRT De Collega’s in prime-time vertoonde."

Ambtenaarmans kijkt met dode-vissenogen mijn richting uit, maar in gedachten lijkt hij te oefenen voor de karaoke-avond van de hengelclub. In een tergend traag tempo beweegt hij zich naar de balie. Ik sta hem daar op te wachten met mijn meest opgeruimde glimlach. Wij misantropen weten elkaar altijd te vinden.

De tijd verstrijkt en hij produceert een zucht waar Jezus hangend aan zijn kruis nog wat van kon leren. 

Ik begroet ambtenaarmans met een enthousiast ‘GOEIEMORRRRGEN, AMBTENAAR!”

Hij neemt de brief aan die ik hem een manische glimlach overhandig, sloft terug naar zijn bureau en trekt een lade open. “Dat gaat snel”, wil ik tegen Jos zeggen. Net wanneer ik op het punt sta hem een loonsverhoging te geven, zie ik ambtenaarmans een thermoskan uit de lade nemen. Meneer schenkt zich rustig een kopje koffie in en drinkt die genietend leeg.

Uiteindelijk vindt onze vriend de innerlijke kracht om helemaal naar de andere kant van de ruimte te lopen, een lade open te trekken en daar een bakje met identiteitskaarten uit te halen.

Jos fluit bewonderend.

Ambtenaarmans schuift het kleinood onder mijn neus en mompelt of ik een andere PIN-code wou. Ik wil al van nee gebaren, wanneer ik Jos een wenkbrauw zie optrekken. “Ik heb het altijd een klein mirakel gevonden dat je je PIN-codes voor je gsm en je bankkaart uit elkaar weet te houden. Ik durf niet te vertrouwen op een derde.” Ik steek mijn tong naar hem uit en knik van ja tegen ambtenaarmans.

De ambtenaar sloft naar een computer en kijkt het ding aan alsof het zijn vrouw is die de patatjes heeft laten aanbranden. Na een paar lusteloze klikken staart hij mij met zijn dode-vissenogen aan. De tijd verstrijkt en hij produceert een zucht waar Jezus hangend aan zijn kruis nog wat van kon leren. “U mag naar hier komen.”

Mijn fout dat ik de telepathische variant op het Nederlands niet machtig ben. 

Oh excuseer. Aan het loket hangt een blad waarop staat dat iedere bezoeker Nederlands moet spreken. Mijn fout dat ik de telepatische variant niet machtig ben.

Pardon, sorry dat ik leef.

 Na alle informaticaplechtigheden heb ik het felbegeerde kleinood eindelijk in mijn bezit. De klok wijst inmiddels kwart over tien na. Ik bind Jos vast aan de bureaustoel van ambtenaarmans. Hij kijkt me aan zoals een hond die achtergelaten wordt in het bos.

Zo zonder engelbewaarder kan ik eigenlijk niemand meer de schuld geven van mijn falen. Daar had ik niet over nagedacht. Jos was degene die mij behoedde voor dat soort beslissingen. Oeps.