Hulpeloosheid voor gevorderden: Ganzenvreugde

column

Maxime

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs, begint lichtjes te panikeren bij de gedachte aan telefoneren en ze krijgt met moeite een Capri Sun open. Maxime is 22 en moet volwassen worden, maar heeft geen idee hoe.

Sinds kort ben ik rekruut tweede klasse bij het vaderlandse pendelbataljon. Bij het krieken van de dag toetert mijn persoonlijke klaroenblazer in de gedaante van een groene wekker me uit bed. Ik strompel halfslapend door de kamer en denk iets in de trant van 'vrijheid blijheid.' Waarom heb ik me niet opgegeven als gewetensbezwaarde? Hoe zou de burgerdienst eruit hebben gezien als ik het had vertikt om me te onderwerpen aan de pesterijen van het pendelbataljon?

Ik gok op iets met een bakfiets.

Ik kijk door het raam naar buiten en zie dat de hemel in het oosten paars begint te kleuren. De maan boven mij vervaagt en lost uiteindelijk op in de fletsblauwe hemel van de ochtendschemering. Het gitzwarte dak van mijn buurman ligt verborgen onder een witte rijmlaag. Onvermijdelijk denk ik terug aan de ochtendschemering in Finland. Wanneer ik het raam open, kruipt de koude binnen en knabbelt liefkozend aan mijn gezicht.

Ik zie het meer opnieuw voor me waar ik 's ochtends ging wandelen. Ik vraag me af hoe het met ons Daisy en haar Deense Dog van het kaliber strijdros gaat. Ik zou er veel voor over hebben  om vandaag en alle volgende dagen mijn dienstplicht in het pendelbataljon op te geven en terug te keren naar het veld en het meer. Ik mis  gouden nevels en het spiegelgladde water, waardoor ik niet wist wat de hemel en de reflectie was. 

Volgens mij is gelukkig zijn het onderscheid tussen die twee niet meer zien, maar hemel en reflectie in elkaar laten overvloeien.

En avant marche

Een mens kan zich natuurlijk niet oneindig overgeven aan zijn herinneringen. De dienstplicht roept. Na mijn koffietje - vloeibaar optimisme- haal ik mijn stalen strijdros van stal. 
Omdat ik niet vaak onder de mensen schijn te komen en daardoor enkele sociale vaardigheden mis, geef ik mijn gebruiksvoorwerpen vaak namen zodat ik er een babbeltje kan tegen slaan.
'Goeiemorgen, Apollonia!' begroet ik mijn fiets liefkozend. Het ding zwijgt, maar dat heb ik graag.
Ik hijs mijn been over frame en trap mezelf in beweging.

Lange tijd is het geratel van de pedalen het enige wat ik kan horen wanneer ik door het veld rijd. Ik verstop mijn gezicht half achter mijn rode sjaal. Ik vraag me af hoe ik eruit zie voor potentiële tegenliggers op de uitgestorven veldweg. Wat valt het eerste op? Mijn vuurrode sjaal, de groene fiets, mijn leeuwenmanen die als een strijdbanier wapperend in de wind? 

Vlak voor ik de grote weg bereik, hoor ik boven me een kabaal van jewelste. Ik kijk op en zie dat de hemel groep luid kwakende Canadese ganzen boven me. Ze vormen een sliert, een bobbelige en lang uitgerekte gedachtestreep in de hemel. Waar mijn gedachten ophouden, verschijnen de vogels en nemen ze mijn gedachten mee op hun krachtig wiekende vleugels.
Ik glimlach, een mens kan moeilijk anders bij het zien van zoveel ganzengeluk.

Het front

Ik verlaat de idylle van het platteland en baan me een weg tussen vrachtwagens en voetgangers wiens mondhoeken nog over de grond slepen. Tegelijk ontwerp ik ook een wetsontwerp in mijn hoofd waarin ouders hun kleuters alstublieft aan de leiband moeten houden, want mijn reactievermogen kan ook maar zoveel hebben. 

Op het perron zoek ik mijn plaats tussen mijn stuurs voor zich uitkijkende strijdgenoten van het pendelbataljon. Ik zie turtlenecks, stationsromannetjes en vooral veel gezichten die nog opgezwollen zijn van de slaap. De ene onverlaat die het waagt om iets te luid 'goeiemorgen' te toeteren, wordt in gedachten tientallen keren onder wielen van de trein geduwd. 

Ik zet mijn koptelefoon op en neurie zachtjes mee met de muziek. Ik ben een onuitstaanbaar goedgemutst ochtendmens en ik weet het. De bloedrode zon worstelt zich los van de ochtendnevel en werpt haar eerste lange stralen over het perron. Had ik een hart, het smolt. Ik denk na over een manier om de zon aan een touwtje te binden en als een ballon met me mee te dragen wanneer ik een hele dag op een bureau moet doorbrengen. Al denk ik dat NASA daar ook wel een weer een mening over zal hebben.

Wanneer de trein steunend en puffend halt houdt aan het perron, schiet het hele bataljon klaar. Als  kamikazepiloten op weg naar het front storten ze zich op de deuren. Ik laat me stoïcijns meevoeren en probeer de ochtendgeuren van het bataljon niet te diep in te ademenen. De mierzoete geur van Red Bull voor 8 uur 's ochtends doet nogal rare dingen met mijn maag.

De trein trekt zich kreunend op gang, ik heb met een zeldzame portie geluk een plek kunnen bemachtigen aan het raam. Ik speur de hemel af naar de lang uitgerekte gedachtestreep. Ik wil even geen gedachten, enkel meevliegen met de vogels.