Hulpeloosheid voor gevorderden: Simmoneke en Amélie

Hulpeloosheid voor gevorderden

Maxime De Ruyck

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs, begint lichtjes te paniekeren bij de gedachte aan telefoneren en ze krijgt met moeite een Capri Sun open. Maxime is 22 en moet volwassen worden, maar heeft geen idee hoe.

Ik sta in een Finse tweedehandsboekenwinkel met een sprookjesboek in mijn handen. Iedereen leest nog steeds graag de geruststellende woorden: "En ze leefden nog lang en gelukkig." Ik heb geen flauw idee waar de sprookjes over gaan, maar ik vind de tekeningen zo mooi.

"Oh, dit is een leuk boek!" roept de verkoopster uit. "Het zijn sprookjes over mensen die alles op de meest onbeholpen manier doen. Neem er maar geen voorbeeld aan."

Ik glimlach berustend, betaal en wanneer ik naar buiten stap, struikel ik net niet over de paraplubak.

Toen ik zeventien was, zag ik voor het eerst Le Fabuleux Déstin d'Amélie Poulain. Het koste me tien minuten om smoorverliefd te worden. Amélie, dat was ik. We staan aan de kant van het feestje en vermaken ons prima in onze eigen wereld.

Hou van mij, Amélie. We zullen samen gelukkige wegdromen terwijl we een crème brûlée delen.

In plaats van deze heerlijke idylle te beleven, deel ik mijn leven met een Sociale Voogd die erop moet toezien dat ik nog een beetje groepsdier ben. Haar grootste zorg is vooral dat ik geen stommiteiten bega wanneer ik onder de mensen kom. Het arme schaap zit zo vaak snikkend in de zetel na een blunder of afgang dat ik haar liefkozend Simmonneke noem.

Ik ben introvert en meestal gelukkig. Maar soms zouden Simmonneke en ik mezelf kunnen wurgen, omdat ik ben wat ik ben.

Op Erasmus gaan houdt onvermijdelijk in dat je sociale netwerk plots een heel stuk groter wordt dan je doorgaans gewend bent. Het zijn allemaal stuk voor stuk schatten van mensen, daar niet van. Maar hoe leuk de avond ook is, hoe pijnlijk mijn buikspieren ook zijn van alle lachsalvo's, onvermijdelijk komt het moment dat mijn sociale batterijen plots leeg zijn. Ik wil naar mijn kamer gaan en het licht nog niet meteen aanknippen, ik wil even geen prikkels.

Op zulke momenten voel ik dat de handen van Simmonneke zich rond mijn schouders klauwen en mij dwingt te blijven zitten. "We gaan hier niet de rare asociale uithangen, begrepen?" gromt ze. "De mensen zijn zo beleefd om je mee te vragen, blijft dan ook."

Ik wil niet weg. Maar als ik nu niet eventjes alleen kan zijn, plak ik iemand achter het behang.

Op die momenten voel ik me een slecht en ondankbaar mens.

 Ik ga vaak 's avonds wandelen aan het meer. Ik luister naar Billie Holliday en kijk naar de visser die elke avond bij zonsondergang uitvaart. Hij werpt zijn lijn uit in de weerspiegeling van zijn schaduw in het water. Op die momenten ben ik perfect gelukkig. Waarom kan dat niet genoeg zijn? Oh, juist ja. Ik heb er geen probleem mee om alleen te zijn, maar ik ben als de dood voor eenzaamheid.

 

“Hoe gij vrienden maakt met uw beperkte sociale vaardigheden en lege batterijen, ik begrijp het ook niet,” zucht Simmoneke.

“Dat is waarom ik u net heb ingehuurd.”

Ze kijkt me meewarig aan. “Ik ben uw Sociale Voogd, geen heilige die mirakelen uit haar mouw tovert.”

Misschien zou het al makkelijker zijn als ik wat beter kon spreken. Heb ik niks te vertellen, dan hou ik ook gewoon mijn mond. Of ik denk tot in de treure na hoe ik die ene gedachte kan verwoorden. 

Maar geef mij  de kans om mijn gedachten op een blad te gieten, hou je dan maar vast aan de takken van de bomen.

Soms is de nood zo hoog dat ik een stok wil nemen om de hemel vol te pennen.

 Ik schrijf mijn gedachten neer om er een solide massa van te creëren waarop ik kan leunen. De woorden rijg ik aan elkaar tot armen waarin ik kan wegduiken.

Ik vraag niet veel van het leven, iemand die mij omhelst, door mijn leeuwenmanen woelt en zegt: “Ge zijt niet zot en alles komt wel goed.”

De keren dat ik dan toch zonder veel nadenken besluit om iets mondeling te communiceren, lijkt het alsof de Vier Ruiters van de Apocalyps opdoemen aan de horizon. 

Mijn woorden stormen als een kudde op hol geslagen mustangs door de kamer. Ze laten de vloer zo hard daveren dat mijn stem en knieën trillen. Mijn gezond verstand ligt als een cowboy van kust m’n voeten half buiten westen op de grond.

Simmonneke staat met haar hoofd tegen de muur te bonken en jammert dat ze een geniale carrière had kunnen hebben als Sociale Voogd van een gangmaker in de high society, maar met mij opgescheept zit.

Het spijt me, Simmonneke. Ik was ook graag die gangmaker geweest.

We moeten in afschuw toekijken hoe ik mijn harnas en zeventien beschermende lagen van cynisme en zelfspot afleg, met lichtgevende verf "HIER SCHIETEN ALSTUBLIEFT" op mijn huid schilder en mijn diepste gedachten blootleg. Om die daarna meteen weer bij elkaar te graaien en te brabbelen dat het mij spijt. Simmonneke sleurt me bij mijn nekvel naar buiten.

Ik zit half weggedoken in de wastrommel op zoek naar een vermiste sok en mijn gezond verstand. Simmonneke is in alle staten en hamert op de wasmachine. “Awel, wat zijn we aan het doen? Zijn we nu helemaal zot geworden? Hebben we dat besproken, kalf?”

“Had mij dan tegengehouden!” werp ik tegen.

“Als gij per se een stommiteit wilt begaan, kunnen zelfs de hordes van Atilla de Hun u niet tegenhouden!” roept ze hysterisch uit.

Die sok ben ik kwijt.

Maxime, sociaal gehandicapt en huisvrouw van de koude grond, aangenaam.

Ik overweeg om me helemaal op te krullen in de wastrommel en me te laten wegspoelen met de leidingen. Mijn Chileense buurman komt net dan binnengewandeld om zijn eeuwige geruite hemdjes uit de droogkast te halen. Ik leun als een halfdood vogeltje tegen de wasmachine, mijn gezicht verborgen achter mijn handen.

“Are you okay?” vraagt hij bezorgd.

I lost my mind and my sock”, kreun ik.

Nu ik erover nadenk, dat wordt de titel van mijn autobiografie.

"We can be helpless together!"

Roommate Juliet ‘Jules’ en ik delen een badkamer waar de verwarming in de douche staat en de wc de luidste leidingen van Jyväskylä heeft. In ons keukentje van 0,75 vierkante meter hebben we ons eigen dansritme gevonden om elkaar geen oog uit te steken wanneer zij thee zet en ik een komkommer snijd.

Thuis is waar er altijd een pot water op het vuur staat waarrond we ons vrolijk kunnen maken om onze ellende.

Wanneer ik ’s avonds thuiskom, zit ze op het aanrecht. Haar handen houdt ze net zoals altijd rond een kop thee en haar voeten, dertig centimeter zwevend boven onze hobbelige vloer, tikken tegen de kast op het ritme van Rebel Rebel.

"Hey, Max, how was your day?"

Ik schenk mezelf thee in en leun tegen de deurpost.

"The universe is not really helping me, Jules."

"Cool, we can be helpless together!"

Ik lach mijn scheve grijns en samen gieten we het Verrekte Leven in een reeks My therapist says-grappen.

Op de laatste mooie nazomerdag ga ik urenlang wandelen. De hemel is zo hoog dat ik er duizelig van word. Wanneer mijn benen moe worden, zet ik me tegen een boom en kijk uit over het meer. Een windvlaag laat duizenden gele berkenblaadjes een gordijn vormen voor de hemel. Als ik zie hoe gracieus de wind dode bladeren laat dansen, kan ik niet wachten op de eerste sneeuwvlokken. Ik leun achterover en laat mijn hoofd rusten tegen de stam.

Ik ben rustig en tevreden.

Ik ben een mens.

Dat volstaat voor nu en alle dagen.

Ik leef nog lang en gelukkig. 

 

 Lees hier alle columns van Maxime.