Hulpeloosheid voor gevorderden: Vier voor twaalf

column

Maxime De Ruyck

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs, begint lichtjes te panikeren bij de gedachte aan telefoneren en ze krijgt met moeite een Capri Sun open. Maxime is 22 en moet volwassen worden, maar heeft geen idee hoe.

Maxime De Ruyck

Vandaag, vier december begint de campagne van vier voor twaalf. Eén op vier krijgt ooit te maken met psychische problemen. Eén op vier zit niet goed in zijn vel. Twee jaar geleden was ik een deel van die statistieken. Maar ik was nooit alleen.

Oktober 2015

Ik kom ‘s avonds doodmoe aan op kot. Elk geluid weergalmt in mijn hoofd, mijn ogen branden en ik voel het zweet druipen over mijn rug. Hoewel het al donker is, knip ik het licht niet aan. Ik plof neer in mijn ongemakkelijke rode zetel en staar verdoofd voor me uit. Ik vraag niet veel, gewoon even geen prikkels meer die binnenkomen. Ik denk aan al het schoolwerk dat ik die avond nog moet doen en begin te beven. Voor ik mezelf kan bedwingen, biggelen er hete tranen over mijn wangen. 

Moe, zo moe. Ik wil stoppen met school. Ik kan het gewoon niet, mijn plezier is weg. Met moeite kan ik me mijn enthousiasme van het eerste jaar journalistiek herinneren. Ik ben een domme trien die het geld van haar ouders verspilt. Maar wat moet ik dan doen? Dit is al de tweede opleiding die lijkt te mislukken. Hoeveel keer kan ik nog falen vooraleer ik studeren definitief moet opgeven?

Ik neem mijn dagboek en probeer het van me af te schrijven. Ik begin zinnen en doorkras ze. Het lijkt wel alsof ik niet meer kan schrijven. Er zijn geen woorden meer. Het is het ergste wat mij, de ongemakkelijke prater, kan overkomen.

Al zolang ik me kan herinneren, is er een kamertje in mijn hoofd waar ik alle woorden heb opgeslagen. Ik kon het altijd zomaar vrij betreden en er de juiste woorden zoeken om mijn gedachten en gevoelens mee neer te schrijven. Mijn pen was mijn zwaard om die gedachten in behapbare brokjes te hakken. Nu zit de kamer hermetisch op slot, terwijl ik tevergeefs tegen de deur beuk. Het woordenmeisje is haar woorden kwijt. 

"Een wild beest zit onder mijn schouders, het dwingt me om recht te springen en iets nuttigs te doen."

Ondertussen krijg ik langs alle kanten goedbedoelde, maar niet noodzakelijk goede raad:

“Ge maakt u zorgen om niets. Draai de knop om.” Momenteel probeer ik vooral om jouw volumeknop volledig dicht te draaien. Als ik daarbij dan per ongeluk ook jouw nek omdraai, het zij zo.

“Kijk in de spiegel en zegt dat ge uzelf graag ziet.” Als ik de statistieken van mijn liefdesleven er even bijneem, mag ik erop vertrouwen dat mijn spiegelbeeld ongemakkelijk heen en weer schuifelt en zegt dat ze mij wel een toffe vindt, maar niet zo. 

Een wild beest zit onder mijn schouders, het dwingt me om recht te springen en iets nuttigs te doen. Als het zo doorgaat, sla ik iemand in elkaar.

Ik zet mijn trots opzij en klop aan bij de studentenvoorzieningen met de vraag om hulp. Ofwel zien ze de wanhoop in mijn ogen, ofwel vrezen ze voor de fysieke veiligheid van mijn medestudenten, maar enkele weken later kan ik al naar een psychologe gaan.

Voor ik aanbel, drentel ik ongemakkelijk voor de deur en wil het liefst van al weglopen. De ongemakkelijke prater moet nu haar gevoelens onder woorden brengen, daar gaat volk naar komen kijken. 

November 2015

Niet alles is kommer en kwel.

Ik loop door een herfststorm met een vriendin. Een kwartier eerder heb ik haar boven een kop koffie schor toegefluisterd dat ik mijn verstand aan het verliezen ben. De wind beukt op ons in, mijn benen zijn stram. Ze haakt haar arm in de mijne. “Leun op mij. Leun altijd op mij.” De wind blaast mijn leeuwenmanen voor mijn gezicht en verbergt mijn glimlach.

Elke vrijdagavond kom ik thuis bij mijn ouders die er alles voor willen doen om hun zwarte schaap opnieuw gelukkig te zien.

Mijn beste vriend flaneert met me langs de Coupure, maakt warme chocomelk en samen jagen we er een half seizoen van Lili en Marleen door. 

Februari 2016

Het semester is amper een week ver wanneer ik huilend neerval op de grond en als een beest jank dat het niet meer lukt. Ik hoor mezelf krijsen en denk dat ik voor dit emotioneel gedoe absoluut geen tijd heb. Ik wil stoppen met de opleiding, want ik kan de druk niet aan. Wat ben je als journalist waard als je daarmee niet kunt leven?

Maar wat moet ik dan doen? Mijn docenten, mijn ouders en mijn vrienden blijven op me inpraten. Ik mag niet opgeven. Ze proberen mij wijs te maken dat ik het nog ver zal schoppen, dat ik talent heb. Hoe meer ze het zeggen, hoe banger ik ervan word. Wanneer gaan ze nu eens inzien dat ik de boel ook maar zit te bedotten? Ik heb gewoon veel geluk gehad.  

“De liefde, hoe voelen we ons daarbij? Wil je niet graag een lief hebben?” vraagt de psychologe. 

Ik lach bitter. “Dat zou niet eerlijk zijn. Ik kan met moeite mezelf uitstaan, waarom zou ik het dan van een ander vragen?”

Ze buigt zich over haar notitieboekje en krabbelt zo snel dat ik vrees dat het blad in brand zal vliegen. Elke gedachte die ik uitspreek, lijkt ze te onderstrepen of te omcirkelen. Misschien wil ze op papier het doolhof van mijn hoofd natekenen.

"Ik kan met moeite mezelf uitstaan, waarom zou ik het dan van een ander vragen?”

“Je schaamt je dat je bestaat,” is haar verdict. Het is een self-fulfilling prophecy. Van zodra ik de woorden hoor, zak ik weg. Ik loop met gebogen hoofd over straat, bang om iemand aan te kijken. De avond voor mijn 21ste verjaardag ga ik uren aan een stuk wandelen door Gent. Ik overdenk de gebeurtenissen van de afgelopen maanden en geef mezelf de schuld. Ik moet maar leren om normaal te zijn. 

Ik besef dat het zo onmogelijk verder kan. Ik ben al twee dagen voor elke nieuwe sessie misselijk en moet er telkens een week van bekomen. Ik ben binnengegaan met één probleem en nu lijkt het allemaal in mijn gezicht te ontploffen.

Ik wil in therapie blijven, want ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik niet normaal ben. Maar ik kies ervoor om deze psychologe aan de deur te zetten. Wanneer ik de mail met het heugelijke nieuws verstuur, speelt de radio Dancing Barefoot. Ik glimlach, voor het eerst heb ik het gevoel dat ik mezelf een plezier doe en dat ik het verdiend heb.

Maart 2016

Het gaat van kwaad naar erger. Enkel het beest onder mijn schouders zorgt er nog voor dat ik uit bed kom, me douche en min of meer regelmatig functioneer. Blijven liggen en lui zijn verdraagt mijn plichtsbewustzijn niet. Wat me nekt, houdt me ook overeind. Ik herlees voor de zoveelste keer Norwegian Wood van Haruki Murakami. "Op zondag wind ik de veer niet op". Ik trek met potlood een ragfijn lijntje onder het zinnetje. 

Mijn nieuwe psycholoog resideert op een woonboot. Hij biedt gratis koffie aan. Maakt hem al meteen sympathiek. Ik vertel hem van mijn klachten over rusteloosheid, dat ik me schaam dat ik niet lijk te kunnen volgen en dat ik het gevoel heb dat er tussen mij en de wereld een glasplaat staat.

“Het goede nieuws is dat ge niet zot zijt. Ge zijt wel oververmoeid, ge hebt uw fysieke en mentale grenzen te veel genegeerd. En ge gaat dringen moeten leren om uzelf ook eens wat aandacht te geven. Maar daar ga ik u nu bij helpen!” Zijn wenkbrauwen wippen strijdvaardig omhoog en ik lach flauwtjes.

Blijkbaar is andermans geluk vooropstellen het beste recept om recht in mijn eigen ongeluk te lopen. Oeps. 

“Ik val de mensen liever niet lastig met mijn problemen. Iedereen heeft gedoe, waarom zou ik willen dat ze het mijne er ook nog bijnemen?”

“Gij staat altijd klaar voor de rest. Gij zijt altijd de goede vriend. Maar omdat ge uw vrienden niet toestaat om u te helpen, ontzegt ge hen ook de kans om een goede vriend te zijn. En iedereen wil dat zijn.” 

Hij beveelt me om thuis te blijven van school. Geen prikkels meer. Ik moet rusten.

Voor mezelf zorgen voelt aan alsof ik gefaald heb. De rest kan de druk wel aan, waarom kan mijn hoofd dat dan niet? Verdomme, ik wil normaal zijn. 

Ik zit in mijn ongemakkelijke rode zetel, staar naar de vaalgele muren en wacht tot ik uitgerust ben. Het beest gaat woest tekeer. 

September 2016

Ik neem zonder nadenken mijn dagboek en begin te schrijven. Halverwege een zin hou ik op en staar ik vol verbazing naar mijn vingers.  Voor het eerst in bijna een jaar lijkt het ritme van mijn zinnen opnieuw te kloppen. De woordenkamer is open. Het woordenmeisje heeft haar woorden terug.

Ik ga wandelen door de velden waar ik als kind uren heb gespeeld. Ik laat me als een blok vallen in het hoge gras en tuur naar de blauwe hemel. Er zit geen beest meer onder mijn schouders dat me dwingt om recht te springen. Er verstrijkt steeds meer tijd tussen de sessies. “Dat was het dan. Ik verklaar u bij deze genezen. Ga heen waar ge maar wilt, geef het schrijven nooit meer op en wees gelukkig.” 

December 2017

Ik sta in mijn Fins keukentje van 0,75 vierkante meter te roeren in warme chocolademelk. In mijn kamer zit een geliefde meute vrolijke Belgen. Ik luister naar hun gelach en neurie La Vie en Rose.

Ik had graag willen schrijven dat ik het beest nooit meer heb gevoeld onder mijn schouders of dat ik nooit meer verloren ben gelopen in mijn hoofd. Maar het gelach van de mensen om mij heen jaagt het beest weg en haalt mij uit mijn hoofd, naar de buitenwereld.

Ik begin mijn vrienden toe te staan ook een goede vriend voor mij te zijn. Een mens met vrienden is rijk. Dankzij de prachtexamplaren die ik hier en in België heb, behoor ik tot the one per cent.

Misschien ga ik straks nog naar buiten, de dwarrelende sneeuw in. Wanneer ik opkijk, lijkt het alsof de sneeuwvlokken vallende sterren zijn.

Mä oon onnellinen, zeggen ze hier in Finland.

 

Voor Robert Van der Cruys. Ik een tekst, jij het noorderlicht. 

 

Lees hier alle columns van Maxime.