Hulpeloosheid voor gevorderden: We sturen iemand

Column

Maxime De Ruyck

Ze heeft nog steeds geen rijbewijs, begint lichtjes te paniekeren bij de gedachte aan telefoneren en ze krijgt met moeite een Capri Sun open. Maxime is 22 en moet volwassen worden, maar heeft geen idee hoe.

We sturen iemand

Op een rustige zondagmiddag krijg ik het zot in mijn kop en besluit om moussaka te maken. Hoe vreemd dat ook moge klinken, nu je ondertussen weet dat ik echt geen Capri Sun openkrijg. Maar wat koken betreft, zit het wel snor met mijn adulting skills. Ik heb het lef te denken dat alles volgens plan gaat, zelfs zonder tomatensaus te morsen op mijn t-shirt, tot het brandalarm plots afgaat.

Mijn blik springt heen en weer tussen de rooksensor en de damkap die op volle kracht draait. Met een hart dat klopt tegen de grens van het medisch verantwoorde, ren ik de trap op. Buiten mezelf zijn enkel mijn twee cactussen, Jos en Umberto op kot. In mijn kamer staan ze nog steeds rustig op de vensterbank te baden in het zonnetje.

Holderdebolder en alle engelen uit de hemel vloekend, donder ik de trap terug af naar de zekeringkast in de gang. Toen ik hier drie jaar geleden op kot kwam, kreeg ik een vluchtige uitleg over het brandalarm. Met als belangrijkste informatie: “Hier is het.”

Ik trek de kast open en zie meer knopjes, hendeltjes en lampjes dan mijn hyperventilerend brein aankan.

 

Ik haat telefoneren met een ongeëvenaarde passie. 

Ondertussen in mijn innerlijke alarmcentrale:

Oké, De Ruyck. Zijt kalm en denkt na.

-Ik kan niet nadenken met dat gegier!

Denkt na! Wat doet een volwassen vrouw in zo'n geval?

- Het kot écht in de fik steken zodat dat verdomde ding een reden heeft om te loeien alsof de Apocalyps eraan komt? Weglopen, de sleutels in het riool gooien en in Mongolië een nieuw leven beginnen? Haar mama bellen?

We bellen de alarmcentrale!

- Zijt ge zot geworden?

Ik haat telefoneren met een ongeëvenaarde passie. En als het écht niet anders kan, geef mij dan minstens drie werkdagen met daartussen het verlengde weekend van Hemelvaart om me mentaal voor te bereiden.

Ondertussen sta ik ijsberend op straat, waar het alarm een halve decibel minder luid klinkt. Ik vloek nog steeds zo ongelofelijk hard dat Jezus Christus ondertussen al van zijn kruis moet zijn gedonderd. Jesus died for somebody’s sins but not mine.

Ik zit op de drempel cool te wezen. Dat het brandalarm de voordeur ondertussen bijna uit zijn hengsels loeit, neem ik er maar bij.

“Met de alarmcentrale?”

Ik leg de man geagiteerd mijn situatie uit.

“En u bent zeker dat er nergens brand is?”

“Nee”, zeg ik voor de vijfde keer. “Nergens rook of vuur, maar het brandalarm blijft loeien.”

Dat ik de straatnaam vier keer moet spellen voor hij het juiste adres heeft, doet weinig goed voor mijn menslievendheid.

“We sturen iemand om te kijken.”

Ik zit op de drempel zogezegd cool te wezen. Dat het brandalarm de voordeur ondertussen bijna uit zijn hengsels loeit en ik mezelf niet meer kan horen nadenken, neem ik er maar bij. Steeds meer buren steken nieuwsgierig hun hoofd uit het raam. Nee hoor, kom vooral niet vragen of er iets aan de hand is. Kom vooral geen hulp aanbieden.

Weldra zal er een man of vrouw van de alarmcentrale komen die met een schamper lachje die verdomde kast opendoet, een magische hendel vindt en mij een heerlijke stilte teruggeeft.

Begin maar al te lachen.

Vanuit de verte hoor ik sirenes naderen en ik, naïef als ik ben, denk: “Oei, dat is precies dichtbij!” Tot er plots niet één, maar twee brandweerwagens de straat inrijden en met gierende remmen vlak voor mijn deur stoppen. Gevolgd door een rode camionette. Ik verwacht ondertussen half dat de lokale regiojournalist van Het Laatste Nieuws er zal uitspringen om een slecht gekadreerde foto te maken van mij, de hulpeloze deerne die in zak en as zit voor de ruïnes van haar afgebrande kot. Pun intended.

Zo'n vijftien brandweermannen in volle uitrusting springen uit de wagens. Bijl en gasmaskers en al.

En daar sta ik dan, op zoek naar het dichtstbijzijnde rioolputje om in te verdwijnen. De buren komen nu ongegeneerd naar buiten. Eentje gaat zelfs op zijn gemak op een tabouret zitten. Met een Orval in de hand. Serieus.

Uit de wagens springen zo'n vijftien brandweermannen in volle uitrusting. Bijl en gasmaskers en al. Ik zwaai zwakjes en leg licht wanhopig mijn situatie uit. Daar staat al een bataljon brandweermannen in de gang. De helft van de troep loopt met zware passen de trap op en controleert de keuken.

Ik sta, blootsvoets, naast de kapitein en leg hem uit waar het brandalarm zit. Hij krijgt het ding ook niet stil. Met z’n zessen staan ze ernaar te turen, drukken knopjes in, tot er eentje zijn schroevendraaier bovenhaalt en de batterijen checkt. Op sterven na dood. Vliegensvlug steekt hij er nieuwe in en plots daalt er een weldadige stilte neer over het gebouw. 

De andere helft van het bataljon komt net de trap afgedonderd en het is van high five hier en “goe opgelost, mannen” daar.

“Merci en willen jullie iets drinken of zo?” hoor ik mezelf stamelen.

Qua gastvrijheid excelleer ik tenminste al als volwassene.

Het bataljon springt gezwind hun wagens in en ik bijt op mijn tong om niet te zeggen: “Komt veilig thuis, hé!” 

 

Lees hier alle columns van Maxime.