Hoe je in jouw buurt een architectuurwandeling kan maken

Hoe je in jouw buurt een architectuurwandeling kan maken

Architectuur is meer dan mooie gebouwen in verre steden. Uiteindelijk zijn het alle bouwkeuzes die we hebben gemaakt over hoe onze wereld eruit moet zien. Als je met die opvatting begint te kijken, zal je zien dat je eigen buurt best nog prachtig kan zijn op z’n manier.

Niet elke buurt heeft een architecturaal pareltje. Daarom laten we de architectuurstromingen eventjes voor wat ze zijn en pakken het anders aan. Met deze tips en weetjes maak je van elke wandeling een architecturale.

1. Leer genieten van de rode baksteen of paapsteen

Ziet dit er al herkenbaar uit?
Ziet dit er al herkenbaar uit?

In België zijn ze met een baksteen in de maag geboren. De kans is zeer groot dat je door een van de ramen van je huis een gebouw kan zien dat uit deze steen is opgetrokken. Het is het huis van Samson & Gert. Het is het huis van Willy’s & Marjetten. En het is een laatste herinnering aan het feit dat er ooit een eenvormige stijl heerste in het Belgische straatbeeld. En als je iemand daarvoor wil bedanken, laat het dan de grond onder je voeten zijn: daarin zit namelijk de klei die die baksteen zo verdomd rood maakt.

2. Sociale woonwijken zijn best nog mooi

Sociale woonwijk de Herderin in Lier is een van de mooiste van België (c) Google
Sociale woonwijk de Herderin in Lier is een van de mooiste van België (c) Google

Er zijn geen twee huizen naast elkaar in België die op elkaar lijken, zoveel is zeker. De schuldige is Alfred De Taeye, die in de jaren 50 minister van Volksgezondheid & Gezin was in België. Voor de wederopbouw na Wereldoorlog II moesten veel gezinnen trouwens een nieuwe woning bouwen. Ze kregen daarvoor volgens de wet De Taeye een subsidie, maar er werden geen beperkingen opgelegd in hoe je huis eruit kon zien. Zo kon nagenoeg iedereen bouwen wat ie wou.

In België mag je echt alles naast elkaar zetten (c) Google
In België mag je echt alles naast elkaar zetten (c) Google

Merk tijdens je wandeling dus zeker de vaak belachelijke contrasten op. Maar de manier waarop de huizen in Belgische straten van elkaar verschillen kan ook mooi zijn.

In andere landen was het de overheid zélf die bouwprojecten starten, met één architect en één aannemer. Of ze legden beperkingen qua stijl op, zodat buurten er toch min of meer homogeen uitzagen. Bij ons is dat alleen het geval in sociale woonwijken. Nog een pluspunt aan die wijken: vaak zijn de huizen niet gericht naar de straat waar een constante stroom van auto’s voorbij rijdt.

Huizen die op elkaar lijken? Die vind je alleen in sociale woonwijken. (c) Google
Huizen die op elkaar lijken? Die vind je alleen in sociale woonwijken. (c) Google

Het zijn woonparken waar mensen elkaar nog kunnen ontmoeten, een functie die de gemiddelde straat al lang niet meer heeft. Als er eentje in je buurt is, zijn ze dus jouw bezoek waard. Of is jouw straat ook rustiger geworden, nu niet-essentiële verplaatsingen verboden zijn? Dan merk je misschien op dat die terug een andere functie krijgt: een ontmoetingsplek.

3. Geniet van de brutale woonblokken nu ze er nog zijn

Woonblokken (c) Google
Woonblokken (c) Google

In de jaren dertig was er een ruk naar rationalisme in de architectuur. Dat was een radicale oplossing voor de verkrotting en gebrekkige sanitair van bepaalde arbeiderswoonwijken in de periode tussen de twee wereldoorlogen. De neoklassieke, eclectische, barokke of (neo)renaissance façades uit de negentiende eeuw die je in veel Belgische steden ziet verbergen namelijk iets wat veel mensen al weten: er woonden vooral rijke mensen achter, terwijl Jan-met-de-pet nog samen met zijn buren een toilet deelde.

Een Unité d'Habitation van Le Corbusier. Ook deze stukjes architectuurgeschiedenis vechten tegen ontruiming.
Een Unité d'Habitation van Le Corbusier. Ook deze stukjes architectuurgeschiedenis vechten tegen ontruiming.

Dat probleem kende in de tijd van het rationalisme een - ra ra ra - rationele oplossing. Woonblokken die voorzien waren van al het hygiënisch vernuft. Le Corbusier trok dat idee nog iets verder met zijn gigantische wooncomplex “Unité d’Habitation” dat in de jaren 50 is afgewerkt in Marseille. Het is - zoals elk gebouw van Le Corbusier - met simpele en enkelvormige materialen gemaakt: vooral beton.

In het gebouw zelf vond je een winkelstraat, een cinemazaal en recreatie. Je hoefde bij wijze van spreken nooit het gebouw te verlaten. Tenzij je natuurlijk wou gaan wandelen in het park dat er rond lag. De auto’s zouden ver boven of onder de grond rijden.

Het verschil met neoclassicistische woningen kan niet groter (c) Google
Het verschil met neoclassicistische woningen kan niet groter (c) Google

Dat idee werd in de jaren 60, 70 en 80 bon ton. Al vergaten ze wel die nadruk op leefbaarheid en functie te behouden, om de kosten te drukken, met binnenmuren zo dun als papier, geen parken, geen winkels, geen recreatie. Het waren betonnen misbaksels met nog meer beton er rond, die voor velen als storend werden ervaren.

Voor de gemiddelde belg was en is het wonen in een appartement namelijk maar een tussenoplossing voor de uiteindelijke droom: een huis. Denk bijvoorbeeld aan Doortje uit FC de Kampioenen die écht in een fermette wil gaan wonen. Al is die droom voor haar, net als voor velen, onhaalbaar.

Boven: het Rabot in Gent in 2009. Onder: het Rabot in Gent in 2019. (c) Google
Boven: het Rabot in Gent in 2009. Onder: het Rabot in Gent in 2019. (c) Google

Tegenwoordig worden appartementen niet meer zo hoog gebouwd en met meer comfort én groen in de buurt. Sommige oude woonblokken verdwijnen en anderen krijgen een update: de fijnste initiatieven worden vaak in de buurt van zo’n blok uit de grond gestampt.

Geniet dus nog van de overblijvende woonblokken, als die eventueel in jouw buurt staan. Behandel ze als overblijfselen van het begin van het moderne leven.

4. Elk huis was ooit voor iemand “simpel en stijlvol”

Hoe groot de verschillen soms ook zijn, elke bewoner is fan van zijn eigen gevel. Op het platteland merk je dat misschien nog het hardst. Kleine dingen zoals minutieus geschoren hagen en tuinkabouters verraden allemaal dingen over de bewoners en de dingen die zij belangrijk vinden om te communiceren naar de buitenwereld.

Hoeves waren de inspiratie voor fermettes. (c) Google
Hoeves waren de inspiratie voor fermettes. (c) Google

Huizen verraden zo al heel lang wie erin woont. Als je bijvoorbeeld een fermette (een breed huis dat op een hoeve lijkt) ziet, weet je bijna zeker dat daar in de jaren vijftig en zestig een lid van de boerinnenbond heeft gewoond. Dat was een Katholieke vrouwenvereniging voor het platteland, zoals er ook Socialistische en Liberale vrouwenverenigingen waren.

Fermettes zijn er in alle kleuren (c) Google
Fermettes zijn er in alle kleuren (c) Google

Deze verenigingen maakten gidsen en tentoonstellingen waarin het perfecte huis werd voorgesteld. Voor de Boerinnenbond was dat duidelijk de fermette. Als je op het platteland in een woonbuurt wandelt, zie je daar nog altijd de gevolgen van: grote huizen die vooral breed zijn, met houten details die mensen in de jaren vijftig al deden terugdenken aan hun kindertijd. Zo kon er een karrewiel voor de muur staan als ornament. Simpel en stijlvol en tijdloos, volgens de verenigingen zelf.

Een boek dat de ideale woning volgens de Boerinnenbond moest voorstellen in de jaren 50.
Een boek dat de ideale woning volgens de Boerinnenbond moest voorstellen in de jaren 50.

Je kan het je niet meer voorstellen: politieke verenigingen die bepalen wat jij lelijk of mooi moet vinden. Of toch?

5. Probeer na te denken hoe een huis er vroeger moet uitgezien hebben

We kennen onze buren niet meer. Het mantra wordt tot in de oneindigheid herhaald. Maar je vindt er bewijzen van in de architectuur van huizen in je buurt. Veel oudere huizen in steden of in centra van gemeenten hebben grote ramen in de voorgevel. In de eerste helft van de 20e eeuw, tot aan de jaren 80, bevond zich achter dat raam vaak de mooiste kamer van het huis: het salon. Zo was binnenkijken bij mensen helemaal niet zo vreemd en werden de ogen de kost gegeven.

Art-decowoning. Maar de gordijnen zijn voorgoed dicht. Nog een geluk dat ze licht doorlaten.
Art-decowoning. Maar de gordijnen zijn voorgoed dicht. Nog een geluk dat ze licht doorlaten.

Probeer (met respect voor mensen hun privacy) een verschil te vinden in hoe goed je kan binnenkijken bij mensen met moderne woningen of meer klassieke.

Pastorijwoningen zijn hét van hét bij nieuwbouw op het platteland. Maar bij de rechtse is zelfs de voordeur helemaal weggedraaid van de straatkant. Je kan amper binnenkijken.
Pastorijwoningen zijn hét van hét bij nieuwbouw op het platteland. Maar bij de rechtse is zelfs de voordeur helemaal weggedraaid van de straatkant. Je kan amper binnenkijken.

Nu zul je merken dat die redenering omgekeerd is. Bij nieuwe huizen zijn de vensters in de voorgevel vaak helemaal verdwenen. Of er hangen lichtdoorlatende gordijnen of stickers zodat de inkijk helemaal weg is. Veranda’s en grote ramen worden achteraan geplaatst. Daar zit men het liefst: zo ver mogelijk weg van de straat en de mensen die er zich wagen.

Dit paadje gaat dwars door de achtertuinen in deze buurt: elk huis heeft nog een extra kotje achterin. (c) Google
Dit paadje gaat dwars door de achtertuinen in deze buurt: elk huis heeft nog een extra kotje achterin. (c) Google

Wat de Belg al helemaal uniek maakt zijn de dingen die ze in hun tuin bouwen: tuinhuizen, kangaroowoningen, schuren: soms is de totale oppervlakte zelfs groter dan het huis zelf. Zo kom je details te weten over de mensen die er wonen, of toch wat ze stiekem proberen te communiceren.

De veranda kijkt uit op de gemillimeterde tuin. En achter de haag staat nog een serre. (c) Google
De veranda kijkt uit op de gemillimeterde tuin. En achter de haag staat nog een serre. (c) Google

Kijk eens rond welke bijgebouwen je kan herkennen. Dat zorgt vaak voor grappige situaties: soms zijn die hoger dan de huizen zelf.

16 april 2020
BrechtVissers

Ik probeer u uit uw luie zetel te krijgen door het ding dat je hierboven te zien kreeg. Ik hou van absurditeiten en kaas.